Hoe kan je je kind ondersteunen bij het ontwikkelen van weerbaarheid?

Als ouder gun je je kind dat hij/zij weerbaar is, dat ‘ie voor zichzelf op kan komen. Maar, weerbaarheid mag zich niet ontwikkelen tot een harnas. Dat je kind zich aan de buitenkant goed kan verdedigen, maar zich aan de binnenkant alsnog ellendig voelt om een vervelende opmerking van een jongen uit de klas.

Kinderen hebben hulp nodig om op een afstandje te kunnen kijken naar het hele proces. Op die manier kunnen ze eerst zichzelf troosten en zich daarna bezighouden met de motieven van het jongetje uit de klas. Dan kunnen ze begrijpen dat het gedrag van de ‘pester’ bij hem hoort en niets zegt over hunzelf.

Zoals Charlotte Visch (2013) mooi omschrijft: Kinderen (en volwassenen) die van binnenuit weerbaarheid hebben opgebouwd, zijn in staat om zich kwetsbaar op te stellen. Zij zijn verzekerd van twee hulpbronnen: mentalisering (= weten dat je een mens bent met unieke, persoonlijke wensen, rechten en gevoelens) en reflectievermogen (= op een afstandje naar jezelf en je eigen beleving kunnen kijken).

Het weerbaar maken van je kind vergt nogal wat bewust handelen. Daarom deel ik hier twee tips voor het ondersteunen van het ontwikkelen van weerbaarheid bij je kind: (*)

Tip 1: Communiceer met je kind op twee manieren: verbaal (= via de gesproken taal) en non-verbaal (= in houding, gebaar en mimiek). Tot het moment dat je kind kan praten, zul je moeten ‘raden’ wat hij bedoelt. Door goed te observeren kun je een heel eind komen. Desondanks gokken zelfs de beste ouders wel eens verkeerd, maar dat hoort nu eenmaal bij het vak van ouder. Wanneer je reageert op je (jonge) kind, let dan op het volgende:

  • Vertel je kind wat je denkt te zien aan gevoel en gedachten: ‘Ik zie je denken, jij wilt dat poesje vast aanraken.’
  • Verpak in je zinnen de hogere menselijke waarden, zoals dierenliefde, respect, verdraagzaamheid, zorgzaamheid: ‘Ik zie dat je het poesje lief vindt.’
  • Voeg je eigen geruststelling, waarschuwing of ongerustheid toe: ‘Je mag gerust aaien, maar voorzichtig, want anders kan het poesje krabben. Pas op… het poesje heeft geen zin meer.’

Tip 2: Als je kind kan praten, dan hoef je niet meer te raden wat hij voelt of denkt. Nu is het je taak om naar gevoel en gedachten te vragen: ‘Ik zie dat je het poesje wilt aaien, want… wat vind je van dit poesje?’ Nu kan je kind bij zichzelf nagaan wat er vanbinnen gebeurt. Je kind heeft van jou liefde en respect voor het poesje geleerd en kan nu vertellen wat de eigen gevoelens en gedachten zijn over het poesje: ‘Ik vind het poesje lief!’

Uit bovenstaande tips blijkt, dat weerbaar zijn in feite niets te maken heeft met wat er aan de buitenkant gebeurt, maar juist wat zich aan de binnenkant afspeelt. Door je kind te ondersteunen in het feit dat hij/zij een eigen mening over iets kan hebben en die ook kan aangeven (op een respectvolle manier, zoals jij hebt voorgedaan) help je je kind al in het weerbaar zijn. Daarmee kan je kind zichzelf helpen en ondersteunen bij pijn en verdriet, om zichzelf lachen en ervaringen relativeren. En dat wil je je kind graag meegeven, nietwaar?

Nu ben ik nieuwgierig… Wat is voor jou het grootste inzicht uit deze blog? Je kan een reactie achterlaten in het reactieveld. Alvast bedankt!

(*) Visch, C. Kofferkinderen (2013). 248media uitgeverij: Steenwijk

Genoten van mijn blog? Like mijn pagina op Facebook en deel mijn blog met je vrienden 🙂

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.